Het voetstuk van de farao

Er was eens een machtige farao, die regeerde over Egypte, de graanschuur van de wereld. Na zeven magere jaren was er een periode van economische voorspoed aangebroken. De oogsten waren beter dan ooit tevoren en de handel met bevriende landen floreerde. Dagelijks vertrokken er tientallen volgeladen schepen uit de haven om weken later terug te keren met kisten vol goud en zilver. De farao besteedde zijn vermogen op een verstandige manier. Hij liet huizen bouwen voor de daklozen en eten uitdelen aan de armen. Hij was terecht trots op wat hij had bereikt en hij wilde dat de mensen zijn naam nooit zouden vergeten. Daarom riep hij de beste architecten ter wereld bij elkaar om ze de grootste opdracht uit de geschiedenis voor te leggen. Ze verzamelden zich in de spiegelzaal, waar de farao hen toesprak vanaf zijn troon.

‘Beste mensen,’ zei hij. ‘Ik wil absoluut niet in vergetelheid raken. Daarom pas ik voor zo’n klein keldertje met gouden masker zoals Toetanchamon heeft laten maken. Geloof me, daar praat over honderd jaar niemand meer over. Nee, ik wil iets groots, iets dat niet over het hoofd kan worden gezien. Ik wil mijn eigen wereldwonder.’

‘Wat dacht u van een paar prachtige hangende tuinen?’ vroeg een man met groene handen. ‘Ons bedrijf heeft zojuist een project in Babylon afgerond, dat enthousiast is ontvangen.’

De farao schudde zijn hoofd.

‘Nee, dat vind ik een riskant idee,’ zei hij beslist. ‘Voordat je het weet verandert het klimaat en gaat het hier vriezen. Dan gaan alle planten dood.’

‘U heeft gelijk,’ viel een man in driedelig pak hem bij. ‘Of het stopt met regenen, waardoor alle planten verdorren. Ook dan zou uw wereldwonder verloren gaan.’

Er klonk gelach door de zaal.

‘Luister niet naar de heer Drucker, uw land verandert heus niet in een woestijn,’ grinnikte een Griekse architect. ‘We kunnen voor u een tempel bouwen of een mausoleum. Ik kan u tekeningen laten zien van wat we in Halicarnassus en Efeze hebben gedaan. Voor de prijs hoeft u het niet te laten, want als farao krijgt u een fikse korting.’

‘Maar dan krijgt onze klant een kopie van een bestaand gebouw,’ zei de heer Drucker. ‘Dat kan niet de bedoeling zijn, hij wil meer, veel meer.’

De farao knikte instemmend en wenkte de man in het pak naar voren.

‘Wat raadt u me aan?’ vroeg hij. ‘Hoe wilt u mij onsterfelijk maken?’

‘Uwe faraosche hoogheid, denk groot. Olympia is beroemd geworden door een beeld van Zeus. Het is tien meter hoog en wordt gezien als een van de zeven wereldwonderen. Ik wil een beeld van u ontwerpen, waarbij Zeus in het niet valt.’

‘Dat klinkt goed,’ was de positieve reactie van de farao. ‘Wat is het grootste beeld dat u kunt maken?’

‘Ik stel voor om te beginnen met het voetstuk, een 100 meter hoge kubus.’

‘100 meter? Is dat mogelijk?’ vroeg de farao opgewonden.

‘Ja hoor,’ antwoordde de architect zelfverzekerd. ‘Er zijn verschillende aannemers, die de klus kunnen klaren. Uw adviseurs moeten wel meerdere offertes aanvragen, anders kan de prijs flink oplopen.’

‘En het beeld zelf, wie regelt dat?’

‘Laat dat maar aan mij over,’ zei de architect. ‘Terwijl u het voetstuk laat bouwen, ga ik op zoek naar de beste beeldhouwers ter wereld en grote stukken marmer. Gelooft u mij, het wordt fantastisch.’

Met hamer en beitel maakte hij een paar schetsen op de muur, waarmee hij de farao definitief over de streep wist te trekken. Deze bedankte de overige architecten en liet zijn secretaris een offerteaanvraag opstellen, die hij aan vier ervaren aannemers stuurde. De heer Drucker had de farao op het hart gedrukt om de aanvraag duidelijk op te stellen, om teleurstellingen te voorkomen. Want te vaak gebeurde het dat je als klant uiteindelijk toch niet kreeg wat je bedoeld had. In dit geval leek het eenvoudig. De aanvraag betrof een ‘kolossaal, massief bouwwerk opgetrokken uit stenen blokken met een breedte, lengte en hoogte van 100 meter.’

De offertes stroomden binnen en in overleg met zijn wijze raadgevers koos de farao voor Bouwbedrijf Amon, dat een aanbod had gedaan waarvan de prijs ruim 40 % lager was dan bij de concurrenten. BAMon ging direct aan de slag en de eerste steen, een blok van ruim twintig ton, werd in het bijzijn van de farao gelegd door een grote groep bouwvakkers. Nog geen tien jaar later kreeg de farao te horen dat het project was afgerond. Hij reageerde verheugd, want omdat ze nu al konden beginnen met het plaatsen van het standbeeld, zou dit ruim voor zijn persoonlijke deadline gereed zijn.

De farao gaf opdracht om voor de onthulling van het voetstuk, de grootste stenen kubus ter wereld, alle wereldleiders uit te nodigen. Zo zouden ze zien dat de farao de machtigste was van allemaal. De mannen van BAMon spanden een gigantisch doek voor het bouwwerk, waarachter een feestterrein werd ingericht met eten en drinken in overvloed. Van heinde en verre werden tronen ingevaren waarop de koningen, keizers, tsaren, khanen en overige heersers plaats namen voor het moment suprême. Toen het zover was, trok de farao aan het koord waarmee het doek opzij werd geschoven en de kubus zichtbaar werd.

De kubus?

Nee, het was iets wat men nog niet eerder in Egypte had gezien. Een kolossaal, massief bouwwerk opgetrokken uit stenen blokken met een breedte, lengte en hoogte van 100 meter: een piramide.

De farao was met stomheid geslagen, maar kon er wel om lachen, zeker toen hij merkte dat de wereldleiders om hem heen, de naakte keizer voorop, vol bewondering keken naar het markante bouwwerk. En zo werd een groot fiasco alsnog een succes en had de farao een nieuwe trend gezet, die eeuwen zou duren en de hele wereld zou veroveren.  

En ze leefden nog lang en gelukkig.